Geschiedenis van de Rhodesian Ridgeback

 

Lion Dog

Deze gaat terug naar 1652 toen Jan van Riebeeck op de Kaap landde in opdracht van de Oost-Indische Compagnie. Hier ontmoette hij de Hottentotten met hun vee, schapen en honden. Men meent dat de Hottentotten vanuit Somaliland (dus vanuit het noorden van Afrika) over Centraal-Afrika naar Zuid-Afrika zijn getrokken, een tocht die wel duizend jaar geduurd moet hebben. Zij hebben de Bosjesmannen, de oudste inwoners van Afrika, voor zich uitgejaagd en werden zelf voortgestuwd door de Bantustammen. Hun vee en hun schapen zijn duidelijk van Noord- en Centraal Afrikaanse oorsprong en daarom neemt men aan dat hun honden dat ook zijn.

Al in het begin van de 16e eeuw werden de Hottentottenhonden beschreven door blanken als: “ze waren zeer scherp en vechtlustig van aard, hadden rechte oren, waren klein van gestalte, leken op jakhalzen en ze hadden een pronk”. Behalve de pronk hadden ze dus weinig overeenkomst met de huidige Rhodesian Ridgeback, maar wel met de Thai Ridgeback. Dit is één van de oudste hondenrassen en hun geschiedenis gaat wel 3000 jaar terug. Het zou dus kunnen zijn dat de ridge van de Thai afkomstig is. Vaak werden honden meegenomen op vissersboten naar Afrika, dus geheel onwaarschijnlijk is dit niet. In Thailand werd er al in de periode van de toen regerende Koning Songthan van Ayuttaya (1611-1628) gesproken over een Thai Ridgeback met een ridge:

‘De honden zijn groots. Ze zijn meer dan twee Sawk hoog (1 Sawk is een traditionele lengte maat die gelijk is aan de lengte van de elleboog tot de vingertoppen van een volwassene). Ze verschijnen in verschillende kleuren. En elke hond heeft een “ridge” op de rug. Ze zijn stoer. Ze zijn loyaal naar hun baas toe. Ze zijn instaat zichzelf te onderhouden, de aarde omwoelend op zoek naar kleine prooien. Ze houden ervan om hun baas te volgen om te jagen in het bos. Wanneer ze een dier gevangen hebben, brengen ze het terug naar hun baas. Ze zijn loyaal naar de familie. Ze houden van hun kameraadschap. Ze gaan overal waar hun baas heen gaat, zelfs zo ver als de “Big Yang Tree”. Ze zijn sterk en onbevreesd. Hun oren zijn recht en hun staarten staan als de zwaarden’.

In a pack for huntingTerug naar Afrika. De Bantu’s hadden grotere en zwaardere honden dan de Hottentotten, maar de pronkfactor moet van deze laatste gekomen zijn. Uiteraard was er vermenging tussen al deze honden. De blanke kolonisten, vanaf 1652 dus, hadden zeker hun Europese honden meegenomen, wild was er in overvloed en er werd veel gejaagd. Zonder twijfel hebben deze Europese honden zich vermengd met de Afrikaanse. Daar was niets op tegen, zo raakten ze het best aangepast aan het milieu en rasbewust was men toen nog niet. Men neemt aan dat de Europeanen vooral jachthonden meebrachten maar ook windhonden, terriërs en vele dogachtigen. Dit alles heeft zich dus vermengd met de Afrikaanse honden, waarvan er vele de pronkfactor droegen.

En inderdaad, getuigenissen uit de hele 19e eeuw vertellen dat de Hottentotten honden nu hangoren droegen en tamelijk groot waren. Over de gelijkenis met de jakhalzen wordt niets meer gezegd. In Zuid-Afrika sprak men over de Boerhonden: grote stevige kerels die ook steekbaard of ruigbaard genoemd werden als ze ruig haar droegen, die huis en haard goed moesten beschermen en mee op jacht trokken tegen leeuwen, luipaarden, lynxen, etc. Ze moesten dus moedig zijn met een fijne neus, vlug met razendsnelle reflexen, hoog kunnen springen en lang kunnen rennen. Wie niet voldeed aan al die eisen, verdween van het toneel.

Midden 19e eeuw verminderde het grootwildbestand drastisch in Zuid-Afrika en daardoor verminderde ook even drastisch de Boerhondpopulatie. Maar Rhodesië (het huidige Zimbabwe) was een jagersparadijs en dus is het logisch dat de Boerhonden daar opdoken en vanuit Zuid-Afrika geïmporteerd werden. Het was Cornelis van Rooyen, een beroemd en berucht jager, die het voor elkaar kreeg om een dergelijke hond te fokken en hij werd hiervoor door andere jagers zeer gerespecteerd. Op zijn boerderijtje in Plumtree lukte het hem om een hond te fokken die over de nodige snelheid, wendbaarheid, spierkracht en uithoudingsvermogen beschikte. Een hond die weinig gevoelig is voor de in ruime mate aanwezige parasieten, een hond die om weinig verzorging vraagt, een die niet overmatig veel voedsel nodig heeft, een die lang zonder water kan, een die zowel op zicht als ook met de neus jaagt, een die het kamp of de boerderij kan bewaken.

Hij bezorgde hen een buitengewone reputatie van moed en temperament. Van Rooyen kruiste ook met Afrikaanse honden waarvan sommigen een kam of ridge hadden en deze mutatie doorgaven aan hun nageslacht. Van toen af werden ze ook Liondogs genoemd. Natuurlijk werd nooit van hen verwacht dat ze een leeuw zouden kunnen doden. Ze moesten wel in koppel of groep de leeuw opsporen en hem dan het open veld in lokken en stellen. Gemakkelijk werken met zo’n koning was het niet en menig hond, niet vlug, slim of snel genoeg, heeft dit spelletje met de dood bekocht. De selectie van deze honden was genadeloos en gebeurde zuiver op de gebruikswaarde, op moed en temperament. Het uiterlijk was van weinig belang en je had dan ook Ridgebacks in alle maten, gewichten en vormen.

Rhodesian in Line

Van Rooijen's honden stonden in die tijd bekend als: Leeuwhond, Boerhond, Van Rooijenhond, Rifrug, Kamrug, Steekbaard en ten slotte nog Pronkrug. Gezegd mag worden dat Cornelis van Rooijen bijzonder veel inspanningen heeft gedaan om die voor het Afrikaanse klimaat geschikte gebruikshond te fokken die we nu kennen als Rhodesian Ridgeback. Een hond die op geen enkel terrein uitblinkt doch op alle kan functioneren. Hij is snel maar niet de snelste, hij is sterk maar er zijn sterkere rassen en zo kan je nog wel een aantal eigenschappen belichten. Een ding is zeker het is een normale hond zonder overdrevenheid, geen toeters en bellen, gewoon "sound".


De Ridge
Deze wordt gevormd door een streep in tegengestelde richting groeiend haar, midden over de rug. Aan de voorzijde bevindt zich de "box" die net achter de schoudertoppen begint en symmetrisch van vorm is. De box kan rond, hartvormig, recht, vierkant of rechthoekig zijn en dient twee symmetrisch geplaatste kruinen of "crowns" te bevatten. De ideale rugstreep is direct achter de box ongeveer 5 centimeter breed en verloopt taps tot in een punt doorlopend ter hoogte van de heupen. De lengte van de box mag niet meer dan een derde van de totale lengte zijn.

Deze ridge heeft geen enkele functie en voornoemde jager op grootwild zal hieraan geen enkele waarde gehecht hebben. Bij het opstellen van raspunten door een aantal liefhebbers is de ridge als bijzonder kenmerk genoteerd. Dit gebeurde op initiatief van de families Peard, Dickson en Barnes. Reden hiervoor was het gegeven dat omstreeks 1920 de interesse voor safari's beduidend verminderde. De leeuwenjagers namen snel in aantal af en ook werden hun honden minder gefokt. F. Barnes belegde een bijeenkomst in Bulawayo (Rhodesië) in het jaar 1922 en er werden, naar voorbeeld van de standaard voor de Dalmatische hond, richtlijnen vastgesteld voor het fokken van één type hond met een ridge. Barnes richtte bij deze gelegenheid tevens de eerste club voor het ras op, die we nu nog steeds kennen als de Parent-club. Door zijn inspanningen werd deze club alsmede de rasstandaard in 1924 erkend door de Kennel Union of South Africa (KUSA). De ridge is hierdoor het specifieke kenmerk van het ras geworden. Hij is hierdoor toch bijzonder belangrijk in de fokkerij en bij het showgebeuren.

Inmiddels zijn er naast de Rhodesian Ridgeback andere rassen bekend waarbij een vergelijkbare rugstreep aanwezig is. Onder andere de eerdergenoemde Thai Ridgeback welke in 1993 erkend is door het F.C.I. Ook in diverse Afrikaanse landen zijn populaties te vinden met deze eigenaardigheid. In Namibië de "Kaokaland jachthond", bij Zulustammen de "Isiqha" als ook de Bantu's en Hottentotten met hun "Nguni" jachthonden. Ook op een eiland in de golf van Siam, genaamd Phu Quoc is er de "Phu Quoc Dog". Laatstgenoemde is omstreeks 1890 naar Frankrijk meegebracht en in Antwerpen op een tentoonstelling gekeurd.

De Rhodesian Ridgeback in Nederland
Bureaucratie is de aanleiding geweest, waardoor voor zover bekend, een Rhodesian Ridgeback voor de eerste maal voet(en) zette op Nederlandse bodem. Ida Veldhuyzen van Zanten, enige dochter uit een bollenkwekersgezin met zes zonen uit Hillegom, was in September 1945 een kleine luchtvaartmaatschappij begonnen voor vluchten naar en in Afrika. Ze opereerde voornamelijk in het toenmalige Rhodesie en Zuid-Afrika, maar moest deze streken verlaten omdat ze geen verblijfsvergunning kreeg van de plaatselijke autoriteiten. Vlak voor haar vertrek had Ida een "Pronkrug" gekregen die "Pegasus" heette. Ze had de hond gekregen van een verpleegster die het dier had achtergelaten, met een briefje aan zijn halsband met de tekst "for Ida" erop. Pegasus was geboren op een RAF basis in Rhodesie en was gefokt door een Engelse militair. Pegasus, "het vliegend paard uit de mythologie", vloog daadwerkelijk. Hij vergezelde Ida op de vluchten en wist steeds bij het landen als eerste uit de "Aerovan" te springen om dan als een bezetene naast het vliegtuig mee te rennen.

Met Pegasus is zij, dus toen haar verblijfsvergunning geweigerd werd, naar Engeland gevlogen. In Londen aangekomen werd haar vliegtuig onderworpen aan een inspectie door de douane en mogelijk smokkelwaar,en hoewel Ida hem zorgvuldig verborgen had kon Pegasus het niet laten de aandacht te trekken door luid te blaffen. "Oh, you've got a dog in the plane"!, waren de woorden van de inspecterende beambte en dus ging het smokkelfeest niet door. Pegasus moest in quarantaine en dat wilde Ida hem niet aandoen, dus meteen de boot genomen en via Calais naar Nederland gekomen.

Ida Veldhuyzen met haar RR Pegasus

Ida ging in Voorschoten wonen, recht tegenover een kippenrestaurant. Dit kippenrestaurant had een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de toch wel gulzige Ridgeback. Op een keer had hij weer eens met zijn grote aandoenlijke ogen het hart gestolen van gasten op he terras en kort daarna deed hij zich tegoed aan heerlijke kippenbotjes. Deze werden hem noodlottig, omdat er een botje in de slokdarm bleef steken. Pegasus was nog maar enkele jaren oud toen hij ten gevolge van dit voorval op de behandeltafel van de dierenarts terecht kwam en wegvloog, voor de laatste keer maar nu naar het hondenparadijs.

Deze hond met de eigenaardige tegendraadse streep haren op de rug bleef in Nederland niet onopgemerkt. De bekende Nederlandse kynoloog P.M.C. Toepoel, tevens huisvriend van de familie van Zanten, toonde bijzonder veel belangstelling voor het ras en ijverde voor de introductie van de toen nog als "Pronkrug" bekend staande en niet als ras erkende hond.

In de zomer van 1947 importeerde Mevr. Goedhart-Bakker-Hofbauer twee Pronkruggen van fokker L.H. de Geus uit Ermelo Zuid-Afrika. Dit waren halfbroer en halfzus "Ntombi In-Gonyama" en "Indoena In-Gonyama", respectievelijk geboren op 29 Juni 1947 en 1 Augustus 1947. Op uitnodiging van kynologenvereniging "Zutphen en omstreken" werden deze exemplaren op 16 Oktober 1949 te Zutphen aan het publiek voorgesteld. De kynologie besteedde uitgebreid aandacht aan het fenomeen. De Heer Goedhart-Bakker werd in 1949 tot de eerste raskeurmeester benoemd, gelijktijdig met de erkenning van het ras in Nederland.

In de jaren 1949 tot 1970 werden er slechts elf geregistreerde nesten geboren met in totaal eenentachtig pups. De kennels "van de Tafelbaai", "Campina's van Staveren", "van de Stilbaai", "Chitambo's" en "van't Zand" waren destijds actief en zijn te vinden in het archief van het Raad van Beheer te Amsterdam. Men kan deze fokkers zien als de pioniers voor de promotie van de Rhodesian Ridgeback in Nederland.